De
lyriek van de 14° eeuw
Inleiding
De
hoofse lyriek handhaaft zich maar een meer populaire lyriek komt te voorschijn.
Het zingbare lied krijgt de ereplaats in verband met de ontwikkeling van
de muziek. In tegenstelling met de 13e eeuw neemt de wereldlijke kunst hier een
belangrijker plaats in dan de geestelijke. Wereldlijke
lyriek
Het
zijn meestal liederen die thuishoren in de ridderlijke sfeer en verhalend zijn.
De ballade (Italiaans ballata = danslied) heeft een dramatisch karakter,
is woest en somber en heeft een tragisch einde. De romance, een lied in
het Romaans (= de volkstaal) is sentimenteler en heeft een goed einde. Het tere,
liefelijke en idyllische is vaak overheersend. Episch,
lyrisch en dramatisch
Episch
: het lied bevat altijd een verhaal, een bondig en suggestief relaas, waarbij
over de tussenliggende, niet ter zake doende bijkomstigheden wordt heen
gesprongen. De verteller wil zo snel mogelijk tot de kern van de zaak komen.
Vandaar het opvallende contrast tussen verteltijd en vertelde tijd. Lyrisch
: het gevoel wordt sterk aangesproken. Het verhaal gaat over liefde, dood, loopt
tragisch af, het bezit een geheimzinnige of lugubere sfeer en het wordt
bovendien gezongen. Dramatisch
: de personages spreken in de directe rede tot elkaar (dialoog) of houden lange
alleenspraken (monoloog), waarbij verteltijd en vertelde tijd elkaar dekken.
Bovendien hebben in dit genre hoogstwaarschijnlijk 'niettalige' elementen een
grote rol gespeeld: mimiek, verandering van stem om de persoonswisselingen
duidelijk te maken ... De
ballade van Heer Halewijn
Inhoud
Halewijn
is een demon in mensengedaante die het land teistert. Zijn naam, ontstaan uit
"alvewin" (= vriend der elven) schijnt te wijzen in de richting der
Oudgermaanse mythen. Halewijn verleidt de vrouwen door zijn zang. Dit is de
primitiefste wijze van betovering. Er zijn trouwens heel wat voorbeelden van
te vinden in de wereldliteratuur : Orpheus of de Sirenen in de Odyssea, het
verlokkende fluitspel van de rattenvanger van Hameln, de Lorelei... Halewijns
toverstem bezit een demonische kracht die zelfs nog nawerkt na de onthoofding.
Halewijn teistert het land en tast het volk aan in zijn vruchtbaarheid: de
vrouw. Een
vrouw, de koningsdochter, wil het land bevrijden. Haar vader weigert zijn
(morele) toestemming, maar haar broer neemt de (morele) verantwoordelijkheid op,
als zij haar maagdelijke eer en vorstelijke waardigheid maar bewaart. Zij zal
Halewijn met zijn eigen middelen, het lied, lokken en proberen te verslaan.
Zij gaat Halewijn opzoeken in het diepste van het woud om hem te doden. Ze is
zich wel bewust van het grote gevaar. Haar daad heeft het sacrale karakter van
het offer. Daarom kleedt ze zich in haar koninklijk staatsiegewaad. De dichter
geeft daarom een nauwkeurige beschrijving van onderkleding tot kroon. Moedig
en vol zelfvertrouwen is de koninklijke maagd. Zij zal de toverkracht van
Halewijn breken, het monster onschadelijk maken met zijn eigen wapens: niet
Halewijn lokt haar, maar zij lokt Halewijn naar zich toe door haar lied. Door
een intuïtieve list kan zij Halewijns zwaard grijpen en houwt hem het hoofd af.
Als bevrijdster van het land keert de koningsdochter met het hoofd van Halewijn
als trofee zegevierend terug en wordt door haar vader vol vreugde onthaald. Interpretaties
1.
Er is een lokale interpretatie die zegt dat Halewijn de roofridder
Allowin is uit de voorchristelijke riddertijd, of de oude Allowin of alrover,
een beruchte dief en vrouwenschaker uit onze gewesten. Hij was verwant aan de
lustmoordenaar Blauwbaard, die de nieuwsgierigheid van zijn 7° vrouw op de
proef stelde door haar de sleutel van de 'verboden kamer' tijdens zijn afwezigheid
ter beschikking te stellen. Natuurlijk nam ze een kijkje en ontdekte de lijken
van haar 6 ongehoorzame, vermoorde voorgangsters (zie Filip de Pillecijn: "Blauwbaard"). 2.
De bijbelse interpretatie zegt dat de oorsprong van deze ballade te
zoeken is in het verhaal van Judit en Holofernes uit het Oude Testament. Zij is
een rijke, jonge en moedige weduwe die door een list haar belegerde vaderstad
Betoel redt. Tijdens een feestmaal waarop zij door de agressor Holofernes wordt
uitgenodigd doodt zij de dronken veldheer met zijn eigen zwaard. Zij verbergt
zijn hoofd in haar etenszak en keert naar Betoel terug. Gedurende het
bevrijdingsfeest van drie maanden wordt het hoofd als trofee aan de stadsmuur
opgehangen.
Vorm
Het
Halewijnlied werd door Jan Frans Willems ontdekt op een gedrukt los blaadje in
het begin van de 19° eeuw. De oorspronkelijke tekst gaat wellicht terug tot in
de 12° eeuw. Het
is een volksballade. Het lied werd oorspronkelijk gezongen en er werd bij
gedanst. Het werd mondeling overgeleverd. Dit verklaart de eenvoudige opbouw. De
strofen bestaan meestal uit twee regels of disticha, waarvan het rijmschema niet
altijd even zuiver is. Tekst Heer
Halewyn zong een liedekyn, Al
wie dat hoorde wou by hem zyn. En
dat vernam[1]
een koningskind, Die
was zoo schoon en zoo bemind. Zy
ging al voor haer vader staen: "Och
vader, mag ik naer Halewyn gaen?" "Och
neen gy, dochter, neen gy niet! Die
derwaert gaen en keeren niet." Zy
ging al voor haer moeder staen: "Och
moeder, mag ik naer Halewyn gaen?" "Och
neen gy, dochter, neen gy niet! Die
derwaert gaen en keeren niet." Zy
ging al voor haer zuster staen: "Och
zuster, mag ik naer Halewyn gaen?" "Och
neen gy, zuster, neen gy niet! Die
derwaert gaen en keeren niet." Zy
ging al voor haer broeder staen:[2] "Och
broeder, mag ik naer Halewyn gaen?" "'t
Is my aleens[3]
waer dat gy gaet, (Als
gy uw eer maer wel bewaert) En
gy uw kroon[4]
naer regten draegt." Toen
is zy op haer kamer gegaen En
deed haer beste kleêren aan.[5] Wat
deed zy aen haren lyve ? Een
hemdeken fynder als zyde. Wat
deed zy aen haer schoon korslyf?[6] Van
gouden banden stond het styf. Wat
deed zy aen haren rooden rok? Van
steke tot steke een gouden knop.[7] Wat
deed zy aen haren keerle?[8] Van
steke tot steke een peerle. Wat
deed zy aen haer schoon blond haer? Een
krone van goud en die woog zwaer. Zy
ging al in haers vaders stal En
koos daer 't beste ros van al. Zy
zette haer schrylings op het ros,[9] Al
zingend en klingend[10]reed
zy door 't bosch.[11] Als
zy te midden 't bosch mogt zyn,[12] Daer
vond zy mijn heer Halewyn. "Gegroet!"
zei hy en kwam tot haer, "Gegroet,
schoon maegd, bruin oogen klaer!"[13] Zy
reden met malkander voort En
op den weg viel menig woord. Zy
kwamen al aen een galgenveld, Daer
hing zoo menig vrouwenbeeld.[14] (Alsdan
heeft hy tot haer gezeid:) "Mits[15]
gy de schoonste maget zyt, Zoo
kiest uw dood! het is noch tyd." "Wel,
als ik dan hier kiezen zal,[16] Zoo
kieze ik dan het zweerd voor al.[17] Maer
trekt eerst uit uw opperst kleed,[18] Want
maegdenbloed dat spreidt zoo breed,[19] (Zoo
't u bespreide het ware my leed.") Eer
dat zyn kleed getogen was,[20] Zyn
hoofd lag voor zyn voeten ras, (Zyn
tong nog deze woorden sprak:) "Gaet
ginder in het koren En
blaest daer op mynen horen,[21] (Dat
al myn vrienden het hooren!") "Al
in het koren en gaen ik niet, Op
uwen horen en blaes ik niet." "Gaet
ginder onder de galge[22] en
haelt daer een pot met zalve (En
strykt dat aen myn rooden hals!") "Al
onder de galge gaen ik niet, Uw
rooden hals en stryk ik niet, (Moordenaers
raed en doen ik niet.") Zy
nam het hoofd al by het haer,[23] En
waschte 't in een bronne klaer.[24] Zy
zette haer schrylings op het ros, Al
zingend en klingend reed zy door 't bosch. En
als zy was ter halver baen,[25] (Kwam
Halewyns moeder daer gegaen:) "Schoon
maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen?" "Uw
zoon heer Halewyn is gaen jagen,[26] G'en
ziet hem weer uw levens dagen.[27] Uw
zoon heer Halewyn is dood, Ik
heb zyn hoofd in mynen schoot, (Van
bloed is myne voorschoot rood.") Toen
ze aen haers vaders poorte kwam, Zy
blaesde den horen als een man. En
als de vader dit[28]
vernam, 't
Verheugde hem dat zy weder kwam. (Daer
werd gehouden een banket, Het
hoofd werd op de tafel gezet.)[29] LUISTER
naar : De Vaganten : Heer Halewijn Een
Schots verhaal
Eén
van de vrouwen die weigerde zich aan de elfenmacht te onderwerpen, was Isabel de
Schone, een jonkvrouw die lang geleden in het noorden van Schotland aan het hof
van haar vader woonde.
Op de ochtend van een eerste meidag zat Isabel alleen in haar
slaapvertrek te borduren. In de verte hoorde ze over de heuvels een elfenhoorn
(alleen die kon zo'n verrukkelijk geluid voortbrengen). Het geschal trilde in de
lucht en de maagd liet haar naald rusten. In een visioen zag ze een stralend
kasteel en stille meren, en een elfenridder die op een fier ros was gezeten.
"Als deze ridder mijn bed mocht delen," fluisterde Isabel de
Schone... Verder kwam ze echter niet.
Het was altijd onverstandig om een wens te doen wanneer het geluid uit de
andere wereld nog niet was weggestorven. Voor ze haar naald weer had opgeheven,
verscheen er als uit het niets een man met een prinselijk voorkomen op de
binnenplaats onder het raam van Isabel. Hij bereed een groot paard en voerde een
fraai damespaard aan leidsels mee. De man hief trots en fier zijn hoofd naar
haar op en glimlachte.
"Isabel de Schone," sprak hij, "u heeft geroepen en ik kom
u halen. Rijd nu met mij het groene woud in." Het damespaardje schudde het
hoofd, waarop de belletjes aan het tuig vrolijk rinkelden. De naald en borduurzijde gleden op de grond en Isabel spoedde zich een stenen wenteltrap af en snelde naar de binnenplaats. Zonder een woord te zeggen besteeg ze het paardje, waarna de twee paarden zij aan zij over de keien de kasteelpoort uit galoppeerden. Terwijl ze over de heuvels reden, werd geen woord tussen hen gewisseld. Ten slotte kwamen ze bij een bos en daar hield de elfenridder zijn paard in en nam de teugels van haar over.
Hij zei: "Isabel de Schone, stijg nu af, want u bent aangekomen op
de plek waar u zult sterven."
Ze staarde hem aan en zag twee ogen zo kalm als bergvijvers.
"Op deze plek heb ik zeven koningsdochters gedood, Isabel de Schone,
zei hij. "U wordt de achtste." Zijn stem was zoetgevooisd, zijn ogen
waren helder en uitdrukkingsloos. Isabel gleed uit haar zadel ter aarde en hij
sprong naast haar op de grond. Hij gaf de paarden een klap op de flanken, waarna
de dieren het bos in draafden.
Plotseling glimlachte Isabel. Ze streelde de ridder over zijn mouw met
haar smalle, zachte hand en verzocht hem met zoete stem zich naast haar neer te
vleien, opdat ze kon rusten voor ze stierf. Hij deed wat ze vroeg. Isabel zat in
het gras en hield zijn hoofd in haar schoot en streelde zijn haar. In haar
gedachten sprak ze een toverspreuk uit die ze van haar moeder had geleerd om
iemand in slaap te brengen, en prompt werd de elf door slaap overmand.
Na een poosje maakte ze voorzichtig zijn riem los en bond die even boven
zijn ellebogen om zijn lichaam, zodat zijn armen strak tegen zijn lijf gedrukt
zaten. Toen wachtte ze tot haar eenvoudige toverspreuk was uitgewerkt. Ten
slotte bewoog de ridder zich en rolde zijn hoofd zwaar heen en weer in haar
schoot. Hij opende zijn ogen en keek haar slaperig aan. Op dat moment doorboorde
ze zijn hart met zijn eigen dolk.
De elf bleef volkomen roerloos liggen en uitte geen enkel geluid toen de
bloedvlek op zijn borst alsmaar groter werd, maar langzaam doofde het licht in
zijn ogen. Isabel wachtte tot het geheel was gedoofd en schoof toen onder hem
vandaan.
"Als u hier zeven koningsdochters hebt gedood," zei ze,
"rust dan hier als echtgenoot van allen." Ze stond op, keerde de dode
elf de rug toe en begon aan de lange wandeling naar huis. Meer vermeldt de
geschiedenis niet over deze bijzondere Schotse edelvrouw.
[1] Dat hoorde. [2] Na het afwijzend advies van vader, moeder en zuster wordt de toestemming gegeven door de broer. Dit is misschien een verwijzing naar een primitief Frankisch familierecht volgens hetwelk de oudste broer verantwoordelijk was voor de maagdelijke eer van zijn zuster, of die zelfs eventueel moest wreken. [3] Om het even, onverschillig. [4] Uw kroon (maagdelijkheid en vorstelijke waardigheid) naar behoren draagt. [5] Dit is onduidelijk waarom: wil zij haar schoonheid gebruiken als wapen tegen Halewijn of is deze gedetailleerde beschrijving van de vrouwelijke opsmuk slechts een tegemoetkoming aan de volkse nieuwsgierigheid ? Of heeft de ontmoeting van de koningsdochter met Halewijn een sacrale betekenis en geeft de feestelijke aankleding het gewijde karakter van het 'offer' aan ? [6] Keurslijf, korset. [7] Knoop. [8] Lang overkleed. [9] Zij zette zich schrijlings op het paard (als een echte ruiter dus, niet als een amazone). [10] Rinkelend (van de zadelbellen). [11] De koningsdochter rijdt niet heimelijk van huis weg. Zij zingt en laat de schellen van het paardetuig vrolijk rinkelen. Dit kan zowel zijn verklaring vinden in het karakter van het meisje als in haar weloverwogen plan, of in beide. [12] Toen zij ongeveer in het midden van het bos was. [13] Blond haar en bruine of donkere ogen waren in de middeleeuwen typisch voor het Germaanse schoonheidstype. Het Keltische vrouwentype had grauwe of blauwgrijze ogen. [14] Vrouwenlichaam, vrouwenlijk. [15] Vermits, aangezien. [16] Als ik hier moet kiezen. [17] Boven elke andere dood. De dood aan de galg was schandelijk: straf voor ontrouw, verraad, diefstal. Vrouwen werden overigens nooit tot de galg verwezen. De dood door het zwaard werd als een ridderlijke dood beschouwd. Bovendien ziet de koningsdochter slechts bij het gebruik van het zwaard de kans om haar plan uit te voeren. [18] Bovenkleed. [19] Dat spat zo ver. [20] Was uitgetrokken. [21] Het koren had voor de primitieve Germaanse boerenbevolking de mystieke betekenis van de levenskring: vergaan in de dood, opstaan tot nieuw leven. De wonderhoren moet de beschermgeesten van het leven (Halewijns vrienden) oproepen. De 'korengeest', een vegetatiedemon, huisde in het graan en werd door de laatste schoof opgevangen. Hij heeft de gedaante van een mens: de korenmoeder of het olde wief. Misschien kan voor de horen ook gedacht worden aan de 'midwinterhoren', die gedurende de vier weken voor Kerstmis werd geblazen: een volksgebruik dat berust op het denkbeeld dat de mens steeds omringd is door geesten die invloed uitoefenen op zijn lot. [22] De wonderzalf of beulszalf werd aangewend voor miraculeuze genezing van dodelijke wonden. Dit herinnert wellicht aan de tijd dat de beul ook 'ledezetter' was. [23] Het meenemen van het hoofd zou een aanduiding zijn dat de oorsprong van het lied moet gezocht worden bij de koppensnellende Kelten. Het bezit van iemands hoofd betekent het bezit van zijn kracht en talent. Daarom krijgt het afgehouwen hoofd een ereplaats op de feesttafel ! Denk hierbij ook aan de Vikingen die dronken uit de schedels van overwonnen vijanden : Skol ! [24] In een heldere bron. [25] Toen zij halverwege was. [26] Is dood, naar de eeuwige jachtvelden. [27] Je ziet hem nooit meer terug. [28] Als de vader dit hoorngeschal hoorde. [29] Het suggestieve slot van de ballade wordt dikwijls verworpen als een later toevoegsel onder invloed van de geschiedenis van Johannes de Dopers onthoofding. Overigens zou het woord 'banket' in onze taal heel wat jonger zijn : 15E eeuw. |