|
|
Het Keltisch, dat samen met het Grieks en het Latijn de drie grote talen van de Europese Oudheid vormt, is nu bijna helemaal verdwenen. Het Latijn, dat het Keltisch van het Europese continent verdreven heeft, was niet meer dan een plaatselijk Italisch dialect in Midden-Italië, toen het Keltisch gesproken werd van de Atlantische kust tot aan de Donauvlakte. Daar is nu alleen nog maar een klein steunpuntje van over in de plaatselijke dialecten van Wales, Bretagne, Ierland en Schotland. Tweeduizend jaar geleden werd het Keltisch gesproken over de hele breedte van Europa. Zij kwamen uit de streek die zich uitstrekt van het noordoosten van Frankrijk, het noorden van Zwitserland tot in Zuidwest-Duitsland. Een Keltische stam, de Helveten, gaf trouwens aan Zwitserland zijn klassieke naam Helvetia. Een snelle bevolkingsaangroei en de daaruit volgende sociale spanningen vormden, zoals vaak het geval is, waarschijnlijk voor de Kelten de reden om weg te trekken uit hun moederland. Rond de 5e eeuw v.Chr. sprak heel Frankrijk ten zuiden en westen van de Rijn Gallisch-Keltisch. Via de oostelijke Pyreneeën had de taal, in een vorm die later Keltiberisch genoemd werd, een groot deel van Spanje gekoloniseerd. Caesar schreef dat Gallië in drie volken was verdeeld: Galliërs, Belgen, die zeker wel, en de Aquitaniërs, die zeker geen Keltisch spraken maar een taal verwant aan het Baskisch. In deze periode van expansie (1000 - 500 v.Chr.) bereikten de eerste Kelten de Britse Eilanden. Van de Kelten, die gedurende meer dan 5 eeuwen Brittannië binnenstroomden, waren de Goidels of Gaels, de voorouders van de huidige Ieren, de eersten en de Belgen de laatsten. Op het continent bleef het Keltisch zich verspreiden. Onder de naam Lepontisch had het zich tegen de 5e eeuw v.Chr. in Noord-Italië gevestigd. Andere stammen bereikten de Zwarte Zee en zelfs via de Bosporus Klein-Azië. De Grieken noemden hen Galaten en de apostel Paulus richtte zelfs een brief aan hen. Op het hoogtepunt van hun macht trokken hun legers zelfs door Italië en versloegen de Romeinse legioenen. In 390 v.Chr. verwoestten ze zelfs de poorten van Rome. Maar na dit hoogtepunt zou hun taal en cultuur geleidelijk overvleugeld worden door het imperialistische Rome. Meer naar het noorden, waar resten van het Keltisch zich hadden kunnen handhaven buiten de grenzen van het Romeinse Rijk, was bovendien een nieuw en krachtig volk opgedoken: de Germanen. De opkomst van de Kelten op het vasteland zou in snelheid nog overtroffen worden door hun neergang. De laatste echo's van het Keltisch klonken waarschijnlijk niet later dan de 6e eeuw in de hoger gelegen dalen van Zwitserland. Alles wat er van de oude taal is overgebleven, moet men nu zoeken op de Britse Eilanden en in Bretagne, waar het vanuit Brittannië terugkeerde. |